20 mei 2026
Het Jaarlijkse Inspectierapport vermeldt opnieuw zorgwekkende feiten zoals de geconstateerde dalende prestaties op het gebied van de basisvaardigheden en het blijvende lerarentekort. Om een voorbeeld te noemen: 44 procent van de mbo-opleidingen scoort onvoldoende op studiesucces. Andries Knol noemt dit in een ingezonden brief in de Volkskrant terecht “een onthutsend cijfer”[1]. Het rapport van de Inspectie vermeldt dit soort bevindingen echter zonder ophef. Alarmbellen gaan niet af en een “sense of urgency” om hier iets aan te doen ontbreekt. Een commentator[2] merkte op dat in dit rapport het slechte nieuws wordt gebracht als was het een natuurverschijnsel.
Tegelijkertijd wordt gelukkig op belangrijke punten gekozen voor het doorzetten van constructief beleid wat betreft versterking van de basisvaardigheden. Opvallend daarbij is dat de Beleidsreactie van de bewindslieden hier duidelijker over is dan het rapport van de Inspectie. In een situatie van enerzijds waardering voor de aandacht voor basisvaardigheden en anderzijds fundamentele kritiek op het gebrek aan urgentie, trekt het Red Team een gele kaart. Wij beginnen dit commentaar dan ook met het opsommen van maatregelen in de beleidsredactie die ertoe doen als het gaat om duurzame verbetering van het onderwijs en plaatsen vervolgens een aantal kritische kanttekeningen.
Goede bedoelingen, maar….
Versterking van de basisvaardigheden staat centraal.
Het kabinet kiest daarbij voor het extra investeren in vakmanschap voor de klas door meer beschikbare tijd voor professionalisering, het in zijn kracht zetten van de beroepsgroep en het benutten van kennis uit onderzoek.
De aandacht voor een versterking van onderwijskundig leiderschap is positief te waarderen. De kern van onderwijskundig leiderschap is het ondersteunen van effectieve vormen van instructie en methodieken in de klas en dus geheel in lijn met de prioriteit van het vakmanschap van de leraar. Het is een goed voornemen om dit onder meer te stimuleren door het invoeren van verplichte bekwaamheidseisen. Tegelijkertijd is de hefboomwerking van onderwijskundig leiderschap indirect, complex en van lange adem.
Goede bedoelingen dus, maar zonder een realistische inschatting van de uitvoerbaarheid misschien een wat gratuite opsomming: gemakkelijker gezegd dan gedaan!
Aanvechtbare keuzes uit het Inspectierapport
Brede vorming en complexe denkvaardigheden
Terecht wordt verwezen naar de mogelijkheden die de actualisering van kerndoelen bieden voor het versterken van de samenhang tussen onderwijsaanbod, methoden en toetsen. Het benadrukken van inhoudelijke samenhang tussen vakken, brede vorming en de omarming van complexe cognitieve vaardigheden in het rapport, roept echter vragen op. Hoe ver moet vakkenintegratie gaan? Wat wordt bedoeld met brede vorming? Waarom wordt dit nergens toegelicht? Het propageren van complexere denkvaardigheden, die om complexere vakdidactische vaardigheden zouden vragen, is naar onze mening een te gemakkelijke acceptatie van de geactualiseerde, maar weinig concrete kerndoelen van de SLO. Sommige vakdidactici zijn juist bijzonder kritisch over uitgerekend deze doelen[3].
Minder prominente plaats prestatie indicator
Sinds jaren wordt door de Inspectie gewerkt aan een nieuw toezichtkader, dat in 2027 ingevoerd zou moeten worden. Volgens het rapport wordt de inzet hierbij bepaald door de wil om een sterkere nadruk op de brede ontwikkeling van leerlingen te leggen, waarbij de leerresultaten een andere rol gaan spelen in het toezicht op het funderend onderwijs. “Zij krijgen een minder prominente rol in de beoordeling van scholen. Goed onderwijs en goed bestuur gaan dan zwaarder wegen”. De Inspectie luidt enerzijds de noodklok over dalende prestaties maar devalueert in zijn kerntaak het gewicht van de “one and only” cognitieve prestatie-indicator! Hierin zien we de verlammende tegenstelling terug tussen cognitieve prestaties en brede vorming die in kwalitatief goed onderwijs altijd met elkaar verbonden horen te zijn.
Procesindicatoren die goed bestuur en goed onderwijs typeren maakten bovendien altijd al deel uit van het toezichtkader van de inspectie. Uit onderzoek gebleken effectiviteit bevorderende factoren bepaalden daarbij de keuze voor deze procesindicatoren [4] Men zou verwachten dat de Inspectie blijft bij het op deze manier onderbouwen van zijn toezichtskader. De leerprestaties zijn daarbij onmisbaar. Kwaliteit van onderwijs moet blijken uit de onderwijsresultaten. Het minder prominent noemen en minder zwaar meewegen van de prestatie-indicator is ongerijmd, ook in het licht van het regeerakkoord, waarin nota bene een staatscommissie voor onderwijsprestaties in het vooruitzicht wordt gesteld.
Besluit: Onderwijsverbetering tussen opbrengstgerichtheid en autonomie
Sinds de jaren zeventig, met de vernieuwingsprojecten van Minister van Kemenade, is het uiteindelijke doel hetzelfde: verbetering van leerprestaties en minder ongelijkheid. Hierbij zet men steeds in op twee facetten, die in de bekende HOAK nota voor het hoger onderwijs (jaren 80) “Autonomie” en “Kwaliteit” werden genoemd. Autonomie heeft te maken met de beslissingsbevoegdheid op verschillende niveaus, vooral ook met de al dan niet sturende rol van de overheid. Met kwaliteit worden zowel professionaliteit van leerkrachten als instrumentele rationaliteit (in de betekenis van bewezen effectieve werkwijzen) bedoeld, ook in onderlinge samenhang. In deze periode van vijf decennia onderwijsbeleid is er op twee momenten een alarmbel geluid over het gebrek aan rationaliteit, het rapport van de Commissie Dijsselbloem (2008) en de regeerperiode van Dennis Wiersma, met een kleine uitloper onder Minister Paul. Nadien gaat het weer bergafwaarts met zowel overheidsregie als de instrumentele rationaliteit van het beleid. De sturingsdiscussie, aangezwengeld door Minister Paul (2025), maakte korte metten met het scenario dat uitging van meer directe sturing van de overheid op scholen; de status quo van de macht van besturen en bestuursraden werd herbevestigd. Wat instrumentaliteit betreft ligt toetsing van leerprestaties permanent onder vuur en de wetenschappelijke kern van “evidence-informed” onderwijs wordt nagenoeg overboord gegooid in het recente advies van de Onderwijsraad, getiteld “leren van Onderzoek”. Hoe het bestuurlijk middenveld onderwijsvernieuwing aanpakt, is bekend, veel gedoe met organisatieverandering (Onderwijs anders organiseren), afwijzen van overheidsregie, en immunisering tegen externe evaluatie. Om nog even terug te komen op het voorbeeld van de 44 procent onvoldoende studiesucces in het MBO, dit probleem wordt nu “opgelost” in het advies[5] om het centraal examen Nederlands af te schaffen, zoals dat een aantal jaar geleden al bij rekenen is gebeurd.
Waar de Inspectie staat, met een zakelijke Beleidsreactie en een wollig rapport, is niet zo duidelijk. Legt de inspectie zich neer bij dalende onderwijsprestaties, als vormende aspecten van onderwijs in orde zijn? In de gegeven context is de controlerende rol van de Inspectie extra belangrijk en zeggen wij als “kritische vrienden” dat deze gele kaart mag worden opgevat als een ernstige waarschuwing.
[1] Andries Knol, VK 6 maart Mbo-studenten hebben meer aan onderwijskwaliteit dan aan mooie woorden
[2] Onderwijsadviseur David Roelofs in het programma Nieuwsweekend van zaterdag 18 april
[3] Red Team Onderwijs De herniewde kerndoelen (po) zijn klaar, en wat nu? https://redhetonderwijs.com/wp-content/uploads/Glosse-Kerndoelen-en-Curriculum.pdf
[4] Het door Wim van de Grift ontwikkelde ICALT systeem is hier een voorbeeld van
[5] In het kader van de herijking van de referentiewaarden niveaus Nederlands. https://www.taalenrekenenmbo.nl/