Team Red het Onderwijs

Zorg voor kwaliteit
in het onderwijs

Wat doen wij?

Het Team Red het Onderwijs analyseert de problemen in het onderwijs en beoordeelt plannen, maatregelen en wetgeving voor het onderwijs met een groene, gele of rode kaart. De leden van het team zijn afkomstig uit de wetenschap en de praktijk. In de media, onderzoeksrapporten en diverse adviesraden hebben zij regelmatig hun zorgen geuit en beleid bekritiseerd. Doordat de crisis in het onderwijs aanhoudt en de meeste plannen, maatregelen en wetten weinig hoop geven op structurele verbeteringen, hebben zij besloten hun krachten en expertises te bundelen in een team dat gevraagd en ongevraagd adviezen geeft aan politici, beleidsmakers en bestuurders. Deze analyses en adviezen worden op deze site gepubliceerd zodat onze kritische informatie toegankelijk is voor iedereen.
Aangezien de vrouw of man voor de klas de meest bepalende factor is voor de kwaliteit van het onderwijs, kiest het team ervoor om de problemen rond het leraarschap de hoogste prioriteit te geven.

Wie zijn wij?

De leden van het kernteam zijn: Sarah Bergsen (schoolleider bo), Anna Bosman (hoogleraar pedagogiek en lerarenopleider), Sezgin Cihangir (directeur Nederlands Mathematisch Instituut), Jan Drentje (schoolleider, leraar, wetenschapper), Ton van Haperen (docent vo, lerarenopleider), Paul Kirschner (emeritus-hoogleraar onderwijspsychologie), Jaap Scheerens (emeritus-hoogleraar onderwijsorganisatie en -management), Gert Verbrugghen (docent Engels vmbo), Gerard Verhoef (wiskundedocent, bestuurslid BON), Theo Witte vakdidacticus en lerarenopleider).
Het team is ontstaan vanuit individuele contacten. We zijn ons bewust van de waarde van diversiteit in alle opzichten en proberen die te vergroten waar dat mogelijk is.

Ons toetsingskader

Ons toetsingskader bestaat uit twee delen. Het eerste deel is gebaseerd op de aanbevelingen uit het eindrapport Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen (Dijsselbloem, 2006). Het tweede deel is ontleend aan onze probleemanalyse.

Deel 1 Aanbevelingen Commissie Onderwijsvernieuwingen

  1. Als basis is er een degelijke probleemanalyse uitgevoerd die wetenschappelijk onderbouwd is en die
    breed wordt gedragen door betrokkenen.
  2. Er is door empirisch onderzoek aangetoond dat overheidsinterventie nodig is en eerder beleid is
    geëvalueerd. Er is verantwoord welke beleidsalternatieven zijn overwogen en gekozen.
  3. Het beleid is opgesteld en uitgewerkt rekening houdend met ander beleid op alle niveaus (nationaal,
    lokaal/gemeentelijk, school).
  4. De gekozen beleidsoptie is wetenschappelijk onderbouwd, dus op basis van empirisch onderzoek en
    niet van beleidsrapporten.
  5. Aan de voorwaarden voor een goede implementatie (tijd, geld, expertise) is voldaan.
  6. Scholen en leerkrachten zijn actief betrokken bij de totstandkoming van de vernieuwing.
  7. Er is draagvlak voor de vernieuwing gecreëerd onder alle betrokkenen.
  8. De vernieuwing moet kleinschalig beginnen en ook tussentijds worden geëvalueerd, echter zonder
    overhaaste bijstellingen.
  9. Wie wil afwijken van dit toetsingskader moet dit altijd eerst uitleggen aan het parlement.

Deel 2 Ontleend aan onze probleemanalyse

  1. Is het plan, de maatregel, het voorstel, het voorgenomen beleid gezien de huidige situatie urgent, haalbaar en effectief?
  2. Draagt het bij aan de verbetering van de werkomstandigheden van leerkrachten op één maar liefst
    meer van de volgende gebieden: klassengrootte, overladenheid, papierwerk, autonomie,
    professionaliseringsruimte, waardering?
  3. Draagt het bij aan het niveau en de kwaliteit van leerkrachten (vakinhoudelijk, vakdidactisch,
    onderwijswetenschappelijk, pedagogisch)?
  4. Draagt het bij aan het vergroten van de kansengelijkheid?
  5. Draagt het bij aan de verbetering van het succesvol leren alsmede de leerprestaties van leerlingen
    (niet alleen van de zwakkere leerlingen, maar ook van de slimmeriken)?
  6. Draagt het bij aan de algemene en domeinspecifieke kennis van leerlingen (tbv culturele
    socialisatie)?
  7. Zorgt het voor een soepele doorstroming van leerlingen naar andere onderwijstypen, het hoger
    onderwijs of de arbeidsmarkt (kwalificatie)?
  8. Draagt het bij aan de kwaliteit van schoolleiding en bestuur?
  9. Geeft het voldoende zicht op/inzicht in de besteding van al dan niet geoormerkte geldstromen
    (verantwoording, controle)?
  10. Voorziet het in een duidelijke regie (en verantwoordelijkheid!) en een haalbaar en transparant plan
    van aanpak?