23 januari 2026
De situatie
In de Kamerbrief van 25 december 2025 over het Inspectietoezicht worden onder meer bijstellingen in het onderzoekskader voorgesteld. De voorgestelde wijzigingen gaan in per 2027. De wijzigingen hebben zowel betrekking op het primair onderwijs, als op het voortgezet onderwijs. Wij richten ons in dit commentaar vooral op het primair onderwijs, omdat de voorstellen voor deze sector naar onze mening een onwenselijke verzwakking van het toezicht op de onderwijskwaliteit betekenen.
De kern van de wijzigingen in het onderzoekskader voor het primair onderwijs is als volgt:
“…de positie van de standaard leerresultaten (OR1) in de integrale beoordeling van scholen wordt aangepast: scholen krijgen na een afgerond kwaliteitsonderzoek niet langer automatisch het eindoordeel «onvoldoende» als zij onvoldoende scoren op de standaard leerresultaten.”
De motivering voor deze keuze wordt in de Kamerbrief als volgt samengevat:
“Het is niet de bedoeling dat scholen vanuit het onderwijsresultatenmodel een perverse prikkel ervaren om op voor leerlingen nadelige manieren te sturen op betere leerresultaten. Naar aanleiding van de motie Stoffer/Ceder 6 is samen met de inspectie onderzocht hoe de toezichtfunctie van de doorstroomtoets kan worden aangepast om onwenselijke effecten zoveel mogelijk te voorkomen en de toets primair ten dienste staat aan de leerling en de leerkracht”.
Ons commentaar
Na het rapport van de Commissie Dijsselbloem is er een voorzichtige beweging in gang gezet om het onderwijs meer resultaatbewust te maken. “Resultaatgericht werken” was zelfs enige tijd een ook door de Onderwijsinspectie aanbevolen aanpak. Een belangrijke stap werd gezet met het institutionaliseren van de Referentieniveaus door de Commissie Meijering (2008). De referentieniveaus op het gebied van taal en rekenen, verbonden met de Eindtoets (thans Doorstroomtoets) werden de basis voor de resultaatindicator voor scholen, binnen het toezichtskader van de Inspectie. De resultaatindicator op twee vakgebieden, gebaseerd op het percentage leerlingen dat referentieniveaus haalt, vastgesteld als een gemiddelde over 3 jaar, is bepaald een schappelijke minimum van resultaatgericht kwaliteitstoezicht.
Sinds Dijsselbloem en Meijering zijn de onderwijsprestaties alleen maar gedaald, en is de ongelijkheid hardnekkig gebleken. Rapporten in het kader van het Interdepartementaal beleidsoverleg, zoals het IBO-rapport uit 2023, benadrukten de ernst van deze stand van zaken. In de beleidsperiode van Wiersma werden serieuze maatregelen voorgesteld tot verbetering (onder meer het Masterplan Basisvaardigheden) scherper kwaliteitstoezicht en het ter verantwoording stellen van schoolbesturen.
Vanuit deze ontwikkeling is de stap om de leerresultaten een minder prominente rol in de kwaliteitsbeoordeling van scholen (letterlijk citaat uit de Kamerbrief) te geven onbegrijpelijk.
Er zijn ook nog twee fundamentele vragen: hoezo perverse prestatieprikkels voor scholen en wat gebeurt er als de procesbeoordeling de resultaatbeoordeling in belang overtreft?
Wat tot voor kort wenselijk geachte resultaatgerichtheid werd genoemd staat nu ineens te boek als een perverse prestatieprikkel. Wat valt er voor basisscholen te manipuleren met objectieve gegevens over het percentage leerlingen dat referentieniveaus haalt? Het enige wat ze kunnen doen is zich inspannen om goede resultaten te boeken op het gebied van taal en rekenen, en dat leek toch juist de bedoeling met het Masterplan basisvaardigheden. In het voortgezet onderwijs ligt het iets anders, het voorstel in de Kamerbrief om doorstroom indicatoren over zittenblijven en op- en afstroom niet meer mee te wegen is misschien wel een relevante voorzorg tegen strategisch gedrag. In plaats daarvan zou een indicator over het percentage leerlingen dat onvertraagd het diploma haalt gekozen kunnen worden.
In de toekomst wordt het mogelijk dat scholen die voldoende scoren op allerlei procesindicatoren geen negatieve eindbeoordeling krijgen als ze onvoldoende resultaten op OR1. Wat hiermee wordt aangemoedigd is “goal displacement”, om een wat brute metafoor te gebruiken, van het type “operatie geslaagd, patiënt overleden”. De bijpassende perverse invloed op het toezicht is bureaucratisering. Procescontrole is wat dit betreft een veel groter gevaar dan output controle.
Ons standpunt
Aan een (hopelijk binnenkort) aantredend nieuw kabinet adviseren wij de hier besproken beleidswijziging terug te draaien, en de OR1 indicator in het onderzoekskader van de Inspectie opnieuw doorslaggevend te maken.