22 april 2026
Het rapport van de Onderwijsraad ‘leren van onderzoek’ stelt voor om het evidence-informed werken in het onderwijs niet bij wet te verplichten en introduceert de term ‘geïnformeerd handelen’ zodat leraren de ruimte behouden om ook vanuit allerlei andere inzichten hun onderwijs vorm te geven. Terwijl dit rapport de impressie schept het leraarschap te versterken door overheidsingrijpen af te weren, heeft dit een omgekeerd effect. Juist door het niet stellen van kwaliteitskaders en het sturen op evidence-informed handelen, verzwakt het leraarschap.
Daarnaast geeft de Onderwijsraad met dit rapport blijk van weinig vertrouwen zowel in de kracht van wetenschappelijke praktijk als in het onderzoekend en lerend vermogen van de leraar. Angst om van het leraarschap een door de staat afgedwongen protocollaire aangelegenheid te maken, is onterecht. De leraar laat zich te midden van wetenschappelijke en eigen inzichten heus niet ontmoedigen om zijn vak naar eer en geweten uit te oefenen.
Beknotting van het leraarschap of versterking van het metier
De Onderwijsraad stelt in haar rapport ‘leren van onderzoek’ voor om het begrip ‘evidence-informed’ te vervangen door het bewust vagere ‘geïnformeerd handelen’ (definitie: handelen op basis van een scala aan bronnen, geïnformeerd over verschillende handelingsopties en op basis van afwegingen over de eigen praktijk). Door ‘evidence’ – bewijs – te vervangen door ‘geïnformeerd zijn’ doet de Onderwijsraad een serieuze poging tot uitholling van het begrip evidence-informed. Zeker als zij stelt dat ‘onderbouwing kan komen uit de eigen of andermans schoolpraktijk, uit onderzoek of een combinatie daarvan’1, maakt zij duidelijk dat wetenschappelijke inzichten op eenzelfde vlak staan als de manier waarop de eerste de beste leraar de lessen aanpakt. Natuurlijk baseert een leraar zijn handelen ook op eigen en andermans ervaring, maar in bruikbaarheid van inzichten zit hiërarchie. Niet alles is even waardevol. Docenten verdienen een toetsingskader om te bepalen wat werkt en wat niet. Het evidence-informed werken is daarbij uitstekend om een schifting te maken te midden van alle praktijkvoorbeelden over wat werkt en wat niet.
De Onderwijsraad ziet dat kennelijk anders. Om het leraarschap vrij te houden van evidence-informed verplichtingen vanuit de overheid – getuige het wetsvoorstel Concretisering deugdelijkheidseisen – wordt het vrije vakmanschap opgehemeld. De Onderwijsraad redeneert als volgt: evidence-informed werken dat bij wet verplicht zou zijn, zou de leraar een sta in de weg zijn om het onderwijs naar inzichten vanuit diens vakmanschap vorm te geven.
Het is onduidelijk waarom de Onderwijsraad het onderwijsproces zo graag wil mystificeren als uniek proces waarin de leraar als een goeroe gewoon weet wat hij op welk moment moet doen. Terwijl we weten hoe leren werkt in ons brein en welke principes we daarvan kunnen gebruiken om effectieve didactiek en pedagogiek vorm te geven (denk aan de principes van Willingham, van Rosenshine, de bevindingen van Engelmann, enz.), neemt de Onderwijsraad een reductionistische houding aan t.a.v. wetenschappelijk onderzoek in het algemeen wanneer zij stelt:
Een interventie is altijd onderdeel van een complex van factoren die in interactie met elkaar het resultaat beïnvloeden. In samenspel met andere leerlingen, andere leraren of een andere omgeving kan de interventie leiden tot andere uitkomsten, ook averechtse of ongewenste.2
Nu komt de term evidence informed uit de medische wereld om voor artsen en medisch personeel duidelijk te maken welke onderbouwde methoden zij kunnen hanteren om optimaal hun werk te doen wat ten goede komt aan henzelf en bovenal de patiënt. Ook medische professionals werken in contexten die iedere dag anders zijn, complex, in samenspel met, enzovoorts. Maar dat betekent natuurlijk niet dat ze geen op wetenschap gefundeerde protocollen hebben om zo goed mogelijke zorg te verlenen. Als we bovenstaande opmerking van de Onderwijsraad in medische context plaatsen wordt wellicht duidelijk hoe absurd deze is.
Stel je voor dat je tegen gespecialiseerde artsen zou zeggen dat ieder lichaam toch anders is, geen arts precies hetzelfde handelt en dat we gezien deze ongrijpbaarheid van de werkelijkheid voorzichtig zouden moeten zijn met evidence-informed werken. Er is geen arts die zal beweren dat ieder lichaam hetzelfde is, maar wel dat lichamen anatomisch gezien erg op elkaar lijken en veel onderzoek – ook al is dat niet in allerlei verschillende contexten uitgevoerd – op basis van die overeenkomst zeggingskracht heeft. Wat in de medische wereld inmiddels een no-brainer is, namelijk voordeel halen uit wetenschappelijke inzichten om de praktijk te verbeteren en dit handelen tot norm maken middels verplichte na- en bijscholing teneinde de professionaliteit van de beroepsgroep te behouden – wil de Onderwijsraad voor het onderwijsveld de wetenschappelijke basisingrediënten van goed onderwijs kennelijk graag met mist omgeven.
Als we de kritiek van de Onderwijsraad heel welwillend lezen, dan doelen ze hier op het gevaar van zogeheten lethal mutations3, bewezen effectieve onderwijsinterventies die door onhandigheid of gebrek aan beredeneerde vertaalslag resulteren in matig onderwijs dat het leren niet bevordert of zelfs schaadt. Denk aan het ongewijzigd implementeren van een EDI-les met alle fases bij de kleuters. Alhoewel EDI zeer effectief is4, kan zij bij de kleuters beter in kringvorm worden uitgevoerd met een tijdsduur van ongeveer 20 minuten wil de instructie effectief zijn5. Met alleen de notie dat EDI werkt, kun je dus nog niet zonder nadenken aan de slag. Maar niemand zal beweren dat dit gebeurt.
Professionaliteit van de leraar
Daarbij komt dat evidence-informed werken natuurlijk ook de wetenschappelijke discussie over inzichten uit onderzoek omvat. De Onderwijsraad is erg bang dat de onderzoeksgeletterdheid van leraren zo laag is dat ze de relevantie van onderzoeksresultaten voor hun eigen praktijk niet kunnen inschatten. De vakbladen die bij uitstek in dit proces ondersteunen, door lopende discussies in wetenschap en onderwijs begrijpelijk te maken voor alle leraren, worden in deze hetze tegen evidence-informed werken, niet genoemd. Anders dan de Onderwijsraad in het rapport wil laten blijken, is hun vertrouwen in de professionaliteit van de leraar juist erg laag.
Tussen de regels door blijkt hoe laag. Alhoewel herhaaldelijk wordt betoogd dat men professionaliteit belangrijk vindt, blijkt uit passages uit onderstaande het tegendeel:
Een bepaalde onderwijspraktijk die kwalificerend heel goed werkt, kan leerlingen op een ongewenste manier socialiseren. Bijvoorbeeld: leerlingen belonen bij hoge prestaties kan een effectief middel zijn om ze harder te laten werken en presteren. Tegelijkertijd socialiseert dit hen in de gedachte dat bij een prestatie een beloning hoort. Dat stimuleert de extrinsieke motivatie van leerlingen ten koste van de intrinsieke motivatie. Het is de vraag of dit vanuit normatief oogpunt gewenst is.6
Een beetje leraar weet dat je gedrag, houding en inzet van leerlingen beloont, geen sec leerprestaties. Een vreemd voorbeeld dus. In het rapport staat ook:
Stimuleren van het gebruik van bewezen effectieve methodes ontmoedigt professionals in de praktijk iets nieuws of anders te proberen of ontwikkelen. Nieuwe aanpakken zijn immers nog niet onderzocht en gelden dus per definitie nog niet als bewezen effectief.7
De onderwijsraad verkeert in de veronderstelling dat leraren ofwel zonder nadenken met de conclusie van het eerste het beste artikel over onderwijsonderzoek hun lespraktijk veranderen, ofwel zo stevig vasthouden aan de evidence-informed kaders vanuit de overheid dat ze niets anders of nieuws meer zouden proberen. De Onderwijsraad wordt tegen het einde van het rapport explicieter wanneer ze stelt:
De toelichting bij het wetsvoorstel reduceert het oordeelsvermogen van scholen vooral tot een juiste omgang met bewezen effectieve methodes. […] wat geldt als een acceptabele methode, is al afgebakend. De vraag of een andere methode geschikter of gewenster is, komt niet meer aan bod.88
Leraren zijn van alle beroepsgroepen de meest eigenwijze mensen die er rond lopen. De gedachte dat zij interesse in hun vakgebied laten varen omdat de overheid normen stelt aangaande effectieve methodes is ondenkbaar (let wel: het gaat hier niet om schoolmethodes maar om wetenschappelijke methodes, een onderscheid dat in het rapport bewust obscuur wordt gehouden om een onhoudbaar punt te maken). De nieuwsgierigheid naar wat werkt in de klas en de liefde voor het vakgebied draait men niet zomaar de nek om. Het omgekeerde is waar: juist door kwalitatieve kaders te stellen wordt dit vakmanschap versterkt, net zoals dat al decennia gebeurt in de medische wereld en de juridische.
Samen vanuit wetenschappelijke inzichten tot een effectieve en kwalitatieve beroepspraktijk komen is het summum. Dat de Onderwijsraad een stap dichterbij dit ideaal wenst te dwarsbomen met het munten van vage termen en het karikaturiseren van het leraarschap is bizar.
- Onderwijsraad, 33. ↩︎
- Onderwijsraad. Leren van onderzoek, p. 19. ↩︎
- Zie blogs substack Carl Hendrick ↩︎
- Zie ook het jarenlange project Follow Through van Engelmann dat hier uitgebreid onderzoek naar deed voordat het een evidence-informed effectieve methodiek genoemd kon worden. ↩︎
- Zie ook Marcel Schmeier hierover. ↩︎
- Onderwijsraad, p. 20 ↩︎
- Onderwijsraad, p. 21 ↩︎
- Onderwijsraad, p. 46 ↩︎